Als ik het lief vraag

Een hele dag stilzwijgend op de bank zitten voelt nutteloos en het moeten ontspannen komt niet uit een potje. De dag voltrekt zich als een in cirkels om je heen rondstampende mammoet.
Zo eentje die net in de modder heeft liggen rollen zodat in de hete droogte waar jij je begeeft zich steeds meer harde korsten aarde bevinden. Je bent een watje. Je geeft op zonder te vechten.
“Het is een welvaartsziekte. Een westers luxe probleem”.
Je bent geen doorzetter. Je bent gestruikeld over het eerste beste breed liggende strootje. Wat voeg jij nou toe aan de maatschappij als je niet eens voor jezelf kunt zorgen?
“Ach, iedereen heeft wel eens een dag die tegenzit. Morgen ben je er wel weer. Schouders eronder en huppekee”.
Ik aai rustig de harige poten van het puffende grote beest in de kamer. Soms doet mijn linkerarm nog wel wat ik van hem vraag. Soms.
Advertenties

Alleen maar jij

Als je je voelt als een leeggelopen ballon. Als dagcrème die uit je poriën drupt in de warme tegenwind. Als een natte mouw. Wie krijgt dan je sokken aan? Wie doet er je dan je haar in de ochtend? Wie helpt je met het kiezen van je ontbijt? Het uitpakken van je cracker of je bakje yoghurt? Wie laat je de trap op lopen? Wie geeft je een zetje richting je fiets? Wie blaast de wind weg? Wie laat je de zon weer voelen? Wie vult je batterij aan? Wie knijpt er even in je arm dat je niet alleen staat? Wie verruilt de sigarettenrook voor verse bloemen?
WIE?

Een lekkend woord

Ik heb het leven nooit als gift gezien. Meer een knellend gegeven.
Het spijkert je hart aan de muur naast de gedroogde bloemen van je eerste liefde. Een zoet mismaaksel wat meer draagbaar wordt na verloop van tijd.
Het voelt als een lichte zwaarte waar je niks mee kunt. Waar je iets mee moet. Een gedwongen vrije keus.
Het is een geliefd jengelend kind dat je aan je mouw meevoert van winkel naar huis.
Ik ben bang dat synoniemen probleemloos voortvloeien door dit begrip zonder vaste lijnen.
Het leven is een lekkend woord.